Onderzoek 2016/2017: Daar zijn de hybride docenten!

In 2016 en 2017 zijn door expertisecentrum Hybride Docent verschillende onderzoeksvragen          uitgezet om een beter beeld te krijgen van o.a. (de ontwikkeling in) het aantal hybride docenten in Nederland, de hoofdredenen om hybride docent te worden, het animo onder docenten in het   voortgezet onderwijs om hybride te werken, en de mogelijke positieve of negatieve gevolgen van het werken in twee banen voor het functioneren en de gezondheid van hybride docenten.

Hiertoe zijn verschillende hoogwaardige databronnen gebruikt, waarbij ook de meest recente cijfers zijn geanalyseerd (welke ook beschikbaar waren voor analyse). Deze bronnen zijn:

  • PoMo: Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (2014)
  • Flitspanel Screening Combinatiebanen (2016)
  • EBB: Enquête Beroepsbevolking (2003-2015)
  • NEA: Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (2014-2015)
  • StemPunt-panel Motivaction (2017)

Verschillende onderzoeksbureaus hebben dus cijfers aangeleverd om hiermee een beter beeld te verkrijgen van het hybride docentschap in Nederland – voornamelijk in het voortgezet onderwijs. 

Wat valt op?

Ongeveer 54.000 mensen combineren banen waarvan één van die banen een baan in het onderwijs is. Hiervan hebben 34.000 werkenden een ‘hoofdbaan’ in het onderwijs. Voor de overige 20.000 mensen geldt dat zij hun hoofdbaan buiten het onderwijs en een tweede baan in het onderwijs hebben. In het voortgezet onderwijs gaat het om ongeveer 10.000 docenten met hun hoofdbaan in het onderwijs.

Hybride docenten combineren banen hoofdzakelijk vanuit een intrinsieke motivatie zoals ‘afwisseling in werk of contacten’ en ‘ontwikkelen op meerdere gebieden’.

Niet bij alle vakrichtingen wordt even vaak gecombineerd. In het voortgezet onderwijs lijkt het minst gecombineerd te worden bij de bèta-vakken en het meest bij de praktijkvakken op het vmbo.

Zo’n 8,6% van de hybride docenten geeft aan geen directe voordelen te ervaren door het combineren van banen. Dit staat in schril contrast met de 28,4% van de hybride docenten die aangeeft geen directe nadelen te ervaren. Sowieso worden de nadelen veel minder vaak ervaren dan de voordelen: het meest genoemde nadeel (‘weinig vrije tijd’) wordt door 27,2% van de hybride docenten ervaren, terwijl er maar liefst zes voordelen zijn die vaker worden ervaren. Het voordeel dat het hoogst scoort (‘meer doen wat ik leuk vind’) wordt zelfs door 61,7% van de hybride docenten ervaren.

Combineren is verantwoord

Opvallend is verder dat, hoewel de nadelen die het vaakst ervaren worden allemaal gerelateerd zijn aan werkdruk, er geen significante verschillen zijn tussen hybride docenten en niet-hybride docenten als we kijken naar burn-out klachten of aspecten die gerelateerd zijn aan burn-out.

Het hybride docentschap is dus een verantwoorde invulling van het docentschap (kijkend naar gezondheid) en kan een breed scala aan voordelen met zich meebrengen.

Animo voor het combineren?

Zowel onder docenten als onder hoogopgeleiden buiten het onderwijs is de interesse in het hybride docentschap groot. Voor de docenten geldt dat de redenen waarom zij dit zouden overwegen (‘als het aansluit bij interesses waar ik nu niks mee doen’, ‘als het nieuwe inhoudelijke ontwikkelmogelijkheden biedt’, ‘als het nieuwe loopbaankansen biedt’) goed aansluiten bij de motieven die bestaande hybride docenten hebben (‘afwisseling in werk of contacten’ en ‘ontwikkelen op meerdere gebieden’) én bij de belangrijkste voordelen die zij ervaren (‘meer doen wat ik leuk vind’, ‘persoonlijke groei’, ‘meer doen wat ik goed kan’). Het hybride docentschap lijkt dus een middel om zaken als ontwikkeling en afwisseling te realiseren en is zodoende een interessant stap in de docentenloopbaan.

Mogelijk vervolg onderzoek

De gegevens over de vakrichtingen van de hybride docenten komen uit het PoMo-onderzoek 2012 (zie: onderzoeksverantwoording). In latere enquêtes is deze vraag niet opgenomen. Ook weten we niet waarom bij de bètavakken minder hybride gewerkt lijkt te worden. Is dit moeilijker? Willen bètadocenten dit niet? Of zet een school deze docenten het liefst maximaal in om les te geven?

Van de 20.000 mensen die een hoofdbaan buiten het onderwijs hebben en een tweede baan in het onderwijs weten we niet op welk onderwijsniveau zij actief zijn. Zijn dit grotendeels deeltijdhoogleraren of is deze groep ook actief op andere niveaus?

Eén op de vijf hoogopgeleiden geeft aan les te willen geven als ze dat kunnen combineren met hun huidige of een andere baan. Deze vraag werd voorafgegaan door de vraag welke maatregel hun interesse in het lesgeven zou vergroten. Het kunnen combineren met de huidige of een andere baan zou voor één op de drie een maatregel zijn die hun interesse in lesgeven zou vergroten. De genoemde 1 op de 5 heeft aangegeven dat het kunnen combineren met de huidige of een andere baan hen daadwerkelijk zou overhalen om in het onderwijs les geven. Hoewel het beantwoorden van een vraag in een vragenlijst natuurlijk iets anders is dan daadwerkelijk gedrag, geeft dit wel aan dat hier een enorm potentieel zit: van de beroepsbevolking van 8,9 miljoen mensen was in 2016 29,2% hoogopgeleid. In potentie gaat het dus om een groep van zo’n 500.000 hoogopgeleiden (8,9 miljoen * 0,292 * 0,2). Verder onderzoek naar wat nodig is om deze groep daadwerkelijk te bewegen daadwerkelijk de stap te zetten richting het klaslokaal te zetten kan zeer waardevol zijn.